ECLI:NL:HR:2024:575

Hoge Raad 12 april 2024 — Civiel recht

Samenvatting

Instantie en datum — Hoge Raad, 12 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:575, zaaknummer 23/01810, cassatie. Kernvraag — Op welk moment trad het verzuim van de schuldenaar in: op 19 januari 2017, toen de schuldenaar mededeelde niet na te komen (art. 6:83 aanhef en onder c BW), of pas op 3 februari 2017, nadat de schuldeiser de schuldenaar via ingebrekestelling alsnog de gelegenheid had gegeven na te komen? Feiten — Verweerders verkochten aan eiser een bedrijventerrein inclusief een loods. Op 19 januari 2017 deelde verweerder 1 schriftelijk mee dat geen overeenstemming was bereikt en dat hij afzag van verdere verkoop. Op 20 januari 2017 verlengde de zoon van eiser namens zijn vader een eerder gedaan aanbod tot 24 januari 2017. Op 1 februari 2017 stelde de advocaat van eiser verweerders in gebreke met een termijn tot 3 februari 2017. Na een veroordelend vonnis leverden verweerders het perceel op 31 mei 2018. Eiser vorderde vervolgens gederfde huurinkomsten over de periode van vertraging; het tijdstip van het intreden van verzuim was daarvoor bepalend. Het hof oordeelde dat het verzuim intrad op 3 februari 2017. Oordeel hof — Het hof (Arnhem-Leeuwarden) stelde vast dat de mededeling van 19 januari 2017 weliswaar duidelijk was en dat eiser daaruit kon afleiden dat verweerders zouden tekortschieten, maar oordeelde dat eiser aan die mededeling niet de gevolgen van art. 6:83 aanhef en onder c BW had verbonden omdat hij daarna nog een aanbod verlengde en een ingebrekestelling verstuurde. Het…

Gerelateerde uitspraken

Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken