ECLI:NL:HR:2020:331

Hoge Raad 2020-02-28 — Bestuursrecht; Belastingrecht

Samenvatting

Instantie en datum — Hoge Raad, 28 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:331, zaaknummer 19/00619, cassatie. Kernvraag — Mag een belastingplichtige bij de bepaling van de bpm-afschrijving via een koerslijst een aanvullende waardevermindering wegens "ex-rental" toepassen op een personenauto zonder verhuurverleden, dan wel wanneer de gehanteerde koerslijst "ex-rental" niet als variabele opneemt, en vereist art. 110 VWEU dat? Feiten — Belanghebbende heeft in 2017 bpm op aangifte voldaan voor de registratie van een uit een andere lidstaat afkomstige gebruikte personenauto die geen verhuurverleden heeft. Zij heeft de afschrijving bepaald aan de hand van een in de handel algemeen toegepaste koerslijst (art. 10 lid 7 Wet bpm 1992). In bezwaar heeft zij aanspraak gemaakt op een extra vermindering wegens "ex-rental", omdat in de binnenlandse handel een verhuurverleden waardedrukkend werkt. De inspecteur heeft dit bezwaar afgewezen; het hof heeft die afwijzing in stand gelaten. Oordeel hof — Het Gerechtshof Den Haag heeft geoordeeld dat de inspecteur het bezwaar terecht heeft afgewezen; een extra vermindering voor "ex-rental" is niet toegestaan nu de auto zelf geen verhuurverleden heeft en de gehanteerde koerslijst "ex-rental" niet als variabele kent. Overwegingen — Middel I faalt (r.o. 2.3.1–2.3.6). De Hoge Raad stelt voorop dat de opvatting waarop het middel steunt — te weten dat ook bij een auto zónder verhuurverleden een "ex-rental"-vermindering moet worden toegepast — onjuist is (r.o. 2…

Gerelateerde uitspraken

Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken