Hoge Raad 2020-01-17 — Bestuursrecht; Belastingrecht
Instantie en datum — Hoge Raad, 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63, zaaknummer 18/03802, cassatie. Kernvraag — In hoeverre mag een belastingplichtige bij de bpm-aangifte voor een beschadigde, uit een andere lidstaat afkomstige gebruikte personenauto de handelsinkoopwaarde verminderen met de herstelkosten, en hoe is de bewijslast ter zake verdeeld? Verzet art. 110 VWEU zich tegen de bewijslastverdeling waarbij de belastingplichtige aannemelijk moet maken dat en in hoeverre beschadigingen een waardedaling veroorzaken? Feiten — Belanghebbende heeft op aangifte € 167 bpm voldaan voor een in Duitsland voor het eerst toegelaten gebruikte personenauto met aanzienlijke beschadigingen, geregistreerd op 16 november 2013. Bij de berekening van de afschrijving (art. 10 leden 1 en 2 Wet bpm 1992) heeft zij de uit de koerslijst Autotelex Pro blijkende handelsinkoopwaarde van een vergelijkbare onbeschadigde auto (€ 23.334) verminderd met door een taxateur begrote herstelkosten van € 22.825 inclusief btw, resulterend in een handelsinkoopwaarde van € 509. De inspecteur heeft nageheven op basis van een eigen taxatie. De rechtbank oordeelde dat 72% van de herstelkosten in mindering mocht worden gebracht; het hof bekrachtigde dit oordeel. Oordeel hof — Het hof oordeelde dat de waarde van een beschadigde auto in de juiste verhouding moet worden gebracht tot die van vergelijkbare onbeschadigde auto's aan de hand van diverse criteria (merk, type, courantheid, leeftijd, soort schade, verkrijgbaarh…