Hoge Raad 2019-05-10 — Civiel recht
Instantie en datum — Hoge Raad, 10 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:707, zaaknummer 18/00773, cassatie. Kernvraag — Heeft een informeel samenlevende partner die de verbouwing van de uitsluitend aan de andere partner toebehorende woning heeft gefinancierd, een vergoedingsrecht jegens die andere partner, en zo ja, op welke grondslag? Feiten — Partijen hebben van eind 2007/begin 2008 tot augustus 2012 samengewoond in een woning die uitsluitend in eigendom toebehoort aan de man. Zij hebben geen samenlevingsovereenkomst gesloten. In 2011 is de woning verbouwd; de kosten zijn betaald door de vrouw of – door middel van een geldlening dan wel schenking – door haar moeder. De vrouw vordert van de man betaling van € 74.056,90, zijnde het door haar gefinancierde nominale bedrag. Oordeel hof — Het hof heeft geoordeeld dat Boek 3 titel 7 BW niet van toepassing is nu de woning uitsluitend aan de man toebehoort en er dus geen goederenrechtelijke gemeenschap bestaat. Art. 1:87 BW geldt alleen voor gehuwden en geregistreerde partners en leent zich niet voor overeenkomstige toepassing op informeel samenlevenden. Nu de vrouw onvoldoende heeft gesteld om enige afspraak over de verbouwingskosten aan te nemen, en gesteld noch gebleken is dat de man door de verbouwing is verrijkt, heeft het hof de vordering alsnog afgewezen. Overwegingen — De Hoge Raad verwerpt de onderdelen 1.1 en 1.2 zonder nadere motivering op grond van art. 81 lid 1 RO (r.o. 3.3). Onderdeel 1.3, dat betoogt dat Boek 3 titel 7 BW wél…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken