ECLI:NL:HR:2019:376

Hoge Raad 2019-03-15 — Civiel recht

Samenvatting

Instantie en datum — Hoge Raad, 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376, zaaknummer 17/04668, cassatie. Kernvraag — Heeft een gedetineerde op wie ten onrechte een te streng detentieregime (EBI) is toegepast, naast de door de RSJ toegekende tegemoetkoming op de voet van art. 68 lid 7 Pbw recht op vergoeding van immateriële schade op grond van art. 6:106 lid 1, aanhef en onder b, BW, en zo ja, onder welke voorwaarden? Feiten — Eiser is op 29 januari 2013 veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf en sinds februari 2008 geplaatst in de Extra Beveiligde Inrichting (EBI) te Vught. De beroepscommissie van de RSJ heeft de verlengingsbeslissing van de selectiefunctionaris vernietigd en aan eiser een financiële tegemoetkoming van € 1.375,- toegekend wegens onterechte EBI-plaatsing vanaf 14 juni 2012. Op 30 mei 2013 is eiser overgeplaatst naar PI Leeuwarden onder het GVM-regime (profiel hoog). In dit geding vordert eiser € 25,- per dag voor 350 dagen onrechtmatig EBI-verblijf en € 10,- per dag wegens vertraging in zijn resocialisatietraject. Rechtbank en hof hebben de vordering afgewezen. Oordeel hof — Het hof Den Haag oordeelde dat vaststaat dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld en dat de onnodig zwaardere plaatsing een schending oplevert van de norm dat met vrijheidsbeneming niet meer inbreuk op de persoonlijke levenssfeer mag worden gemaakt dan strikt noodzakelijk is. Niettemin ontbreekt geestelijk letsel als in de psychiatrie erkend ziektebeeld en is over de persoonlijke gevol…