Hoge Raad 2012-06-29 — Civiel recht
Instantie en datum — Hoge Raad, 29 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1519, zaaknummer 11/01141, cassatie. Kernvraag — Geeft lichamelijk letsel in de vorm van een blauw oog recht op smartengeld op grond van art. 6:106 lid 1 onder b BW, en wanneer is aantasting in de persoon op andere wijze (geestelijk letsel) toewijsbaar bij mishandeling? Feiten — Op 9 oktober 2004 heeft een confrontatie plaatsgevonden in een flatgebouw. Verweerder 1 heeft eiser tegengehouden en hem twee klappen in het gezicht gegeven; verweerders 2, 4 en 5 gingen daarbij samen achter eiser aan. Eiser liep een blauw oog op en stelt sindsdien last te hebben van angstgevoelens waarvoor hij zijn huisarts raadpleegde, die hem doorverwees naar de GGZ. Eiser vorderde een verklaring voor recht van onrechtmatig groepshandelen op grond van art. 6:166 lid 1 BW en veroordeling tot schadevergoeding. Oordeel hof — Het hof oordeelde dat aan alle vereisten voor aansprakelijkheid op grond van art. 6:166 lid 1 BW was voldaan ten aanzien van verweerders 1, 2, 4 en 5, maar dat geen vergoedbare schade was aangetoond. Het bestaan van de gestelde angststoornis en het causaal verband met het groepshandelen stonden niet vast bij gebreke van bewijs en een gespecificeerd bewijsaanbod. Het blauw oog achtte het hof te gering om voor vergoeding in aanmerking te komen. Het vonnis van de rechtbank werd bekrachtigd. Overwegingen — Het hof stelde vast dat verweerders 3 en 6 niet tot de relevante groep behoorden; daartegen zijn geen cassatieklacht…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken