Hoge Raad 2019-10-15 — Strafrecht
Instantie en datum — Hoge Raad, 15 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1465, zaaknummer 17/05184, cassatie. Kernvraag — Vormt een woninginbraak met diefstal van sieraden met emotionele waarde een grond voor vergoeding van immateriële schade ex art. 6:106, aanhef en onder b, BW wegens aantasting in de persoon 'op andere wijze', en volstaat daartoe een verwijzing naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid zonder nadere vaststelling van de gevolgen voor de betrokken benadeelde partijen? Feiten — Verdachte heeft samen met een mededader op 11 januari 2015 ingebroken in een woning in Brielle en daarbij vijf horloges, zeven gouden kettingen en diverse andere sieraden en goederen weggenomen. Drie bewoners van de woning (ouders en hun meerderjarige zoon) stelden zich als benadeelde partij en vorderden elk € 275,- aan immateriële schade wegens de psychische gevolgen van de inbraak, de inbreuk op hun privacy en het verlies van sieraden met familiehistorische en emotionele waarde. De verdediging refereerde zich in eerste aanleg aan het oordeel van de rechtbank; in hoger beroep werd de hoogte van de schadevergoeding niet weersproken. De rechtbank wees de vorderingen toe; het hof bevestigde het vonnis. Oordeel hof — Het hof bevestigde het vonnis van de rechtbank, dat de immateriële schade van alle benadeelde partijen "naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid" op € 275,- per persoon vaststelde en toewees, zonder afzonderlijk vast te stellen dat sprake was van geestelijk letsel of een…