Hoge Raad 2019-05-28 — Strafrecht
Instantie en datum — Hoge Raad, 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, zaaknummer 17/02033, cassatie. Kernvraag — In welke gevallen en op welke wijze kan de strafrechter een vordering van de benadeelde partij toewijzen, en wat zijn de daarbij geldende materieel- en procesrechtelijke regels? Concreet: heeft het hof de toewijzing van geschatte schadeposten voldoende gemotiveerd? Feiten — Verdachte heeft in 2013 samen met anderen in een woning te Utrecht hennep geteeld, elektriciteit gestolen en de woning beschadigd. De eigenaar van de woning, [betrokkene 1], heeft zich als benadeelde partij gevoegd met een vordering van € 28.304,72, bestaande uit diverse schadeposten waaronder materiële zaakschade, huurderving, opruimkosten en immateriële schade. Een deel van de opgevoerde bedragen betrof schattingen, mede omdat de schade ten tijde van de zitting nog niet volledig was hersteld. Oordeel hof — Het hof heeft de vordering grotendeels toegewezen tot een bedrag van € 20.269,72, waarbij het de posten voor verlies van vrije tijd (€ 1.000,-), immateriële schade (€ 1.000,-) en een 'boetebedrag' (€ 6.035,-) buiten beschouwing liet. Het hof aanvaardde de geschatte schadeposten als toewijsbaar, gelet op de onderbouwing door de benadeelde partij dat de schade nog niet volledig was hersteld en de kosten door professionals waren geschat. Overwegingen — De Hoge Raad grijpt de zaak aan voor een uitvoerige beschouwing ten behoeve van de rechtspraktijk over de vordering van de benadeelde partij. De vo…