ECLI:NL:HR:2002:AD5356

Hoge Raad 2002-02-22 — Civiel recht

Samenvatting

Instantie en datum — Hoge Raad, 22 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5356, zaaknummer C00/227HR, cassatie. Kernvraag — Kan een moeder die na een dodelijk verkeersongeval fysiek wordt geconfronteerd met het zwaar verminkte lichaam van haar vijfjarige dochter en daardoor ernstig geestelijk letsel oploopt (zogenoemde "shockschade"), aanspraak maken op schadevergoeding jegens de WAM-verzekeraar van de veroorzaker? En staat het wettelijk stelsel — in het bijzonder art. 6:108 BW — in de weg aan een afzonderlijke vergoeding van affectieschade wegens het verlies van het kind? Feiten — Op 9 april 1992 werd de vijfjarige dochter van verweerster op een woonerf dodelijk aangereden door een achteruijdrijvende taxibus; de bestuurder is strafrechtelijk veroordeeld. Verweerster werd door een buurvrouw gewaarschuwd, trof haar dochter levenloos aan, en ondervond bij een poging het hoofd van het kind te draaien dat haar hand vrijwel geheel in de schedel verdween en de schedelinhoud op straat lag. Dit resulteerde in ernstig geestelijk letsel: een gestagneerd rouwproces, ernstige depressie en een ernstige posttraumatische stressstoornis. Voor de taxibus was een WAM-verzekering afgesloten bij Woudsend. De rechtbank wees de vordering af; het hof wees de materiële schade volledig en de immateriële schade tot ƒ 30.000,-- toe. Oordeel hof — Het hof oordeelde dat de schade van verweerster voor zover veroorzaakt door de confrontatie met de gruwelijke gevolgen van het ongeval — als iets anders dan de doo…

Gerelateerde uitspraken

Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken