ECLI:NL:HR:2018:976

Hoge Raad 2018-06-22 — Civiel recht

Samenvatting

Instantie en datum — Hoge Raad, 22 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:976, zaaknummer 17/00932, cassatie. Kernvraag — Twee vragen: (1) Is het onmiddellijkheidsbeginsel geschonden doordat de comparitie in hoger beroep plaatsvond ten overstaan van een raadsheer-commissaris terwijl het eindarrest werd gewezen door drie andere raadsheren? (2) Ten overvloede: onder welke omstandigheden kan uit een door de werkgever gevolgde gedragslijn een arbeidsvoorwaarde ontstaan? Feiten — Pontmeyer heeft in 2011-2012 voor twee groepen boven-cao-werknemers het beloningsbeleid eenzijdig gewijzigd: in plaats van een automatische cao-loonsverhoging wordt de salarisverhoging afhankelijk gesteld van beoordeling. De COR stemde in; FNV werd niet bij de onderhandelingen betrokken. FNV vordert op de voet van art. 3:305a BW ongedaanmaking van de wijziging, zowel voor leden als niet-leden. De kantonrechter verklaarde FNV niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van gelijksoortige belangen. Het hof Amsterdam oordeelde in zijn eerste tussenarrest dat de vordering zich wel leent voor behandeling via art. 3:305a BW, gelastte daarna een comparitie ten overstaan van een raadsheer-commissaris, en wees in zijn eindarrest de vorderingen van FNV inhoudelijk af. Oordeel hof — Het hof Amsterdam oordeelde dat de vordering van FNV ontvankelijk was op de voet van art. 3:305a BW. In zijn eindarrest wees het hof de vorderingen inhoudelijk af, onder meer op de grond dat een langdurig door de werkgever gevolgde gedragslijn van perio…

Gerelateerde uitspraken

Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken