Hoge Raad 2014-10-31 — Civiel recht
Instantie en datum — Hoge Raad, 31 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3076, zaaknummer 13/04367, cassatie. Kernvraag — Is een eindvonnis nietig indien het mede is gewezen door een rechter die niet aanwezig was bij de daaraan voorafgaande pleitzitting, en welke regels gelden wanneer rechterswisseling na een mondelinge behandeling noodzakelijk is? Feiten — Eisers waren eigenaren van perceelsgedeelten in de gemeente Rosmalen die bij vonnis van 20 oktober 2010 vervroegd werden onteigend. Na het definitieve deskundigenrapport vond op 15 januari 2013 een pleitzitting plaats ten overstaan van een meervoudige kamer waarvan mr. Sluysmans als rechter-plaatsvervanger deel uitmaakte. Sluysmans defungeerde per 1 mei 2013 als rechter-plaatsvervanger en heeft het eindvonnis van 3 juli 2013 niet mee gewezen. Het vonnis vermeldt dit, maar stelt niet dat partijen vooraf zijn geïnformeerd of de gelegenheid hebben gehad een nadere mondelinge behandeling te verzoeken. Oordeel hof — Niet van toepassing; de bestreden beslissing is een vonnis van de rechtbank Oost-Brabant. Overwegingen — In r.o. 3.4.1 stelt de Hoge Raad voorop dat het recht van partijen hun standpunten mondeling ten overstaan van de rechter uiteen te zetten een fundamenteel beginsel van burgerlijk procesrecht is, neergelegd in art. 134 Rv en voortvloeiend uit art. 6 EVRM. In r.o. 3.4.2 formuleert de Hoge Raad de hoofdregel: een rechterlijke beslissing die mede wordt genomen op de grondslag van een voorafgaande mondelinge behandeling beh…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken