ECLI:NL:HR:2017:1187

Hoge Raad 2017-06-30 — Civiel recht

Samenvatting

Instantie en datum — Hoge Raad, 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1187, zaaknummer 16/03200, cassatie (beschikking). Kernvraag — Welke factoren mogen en moeten meewegen bij de vaststelling van de hoogte van de billijke vergoeding op grond van art. 7:681 lid 1, aanhef en onder a, BW, en heeft het hof de juiste maatstaf aangelegd door die vergoeding een punitief en afschrikwekkend karakter te geven en de gevolgen van het ontslag alsmede de duur van het dienstverband buiten beschouwing te laten? Feiten — Verzoekster was sinds eind december 1989 als kapster in dienst bij (de rechtsvoorganger van) New Hairstyle, 4,5 uur per week op maandagmiddag, tegen € 224,51 bruto per maand. New Hairstyle probeerde het dienstverband al eerder te beëindigen via een vaststellingsovereenkomst (januari 2014, zonder vergoeding) en via een UWV-ontslagaanvraag wegens bedrijfseconomische redenen (geweigerd, februari 2015). In de zomer van 2015 nam verzoekster in week 31 en 32 vakantie in weerwil van een niet-gehonoreerd verlofverzoek; New Hairstyle stelde haar vervolgens per direct op non-actief en zegde de arbeidsovereenkomst op met inachtneming van de opzegtermijn, zonder de vereiste schriftelijke instemming van verzoekster (art. 7:671 BW). Oordeel hof — Het hof bekrachtigde de beschikking van de kantonrechter en kende een billijke vergoeding toe van € 4.000,- bruto. Het hof nam als uitgangspunt dat de billijke vergoeding een punitief en afschrikwekkend karakter voor de werkgever moet hebben, liet de du…