Hoge Raad 2017-12-22 — Civiel recht
Instantie en datum — Hoge Raad, 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3250, zaaknummer 17/00339, cassatie (beschikking). Kernvraag — Welke eisen mogen worden gesteld aan een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor, en mag de rechter het verzoek afwijzen op de grond dat de verzoeker onvoldoende heeft toegelicht waaruit de mogelijke normschending van de wederpartij bestaat, dan wel op de grond dat de beoogde vordering niet toewijsbaar zou zijn? Feiten — Bencis is een private equity fonds dat een meerderheidsbelang hield in de [A]-groep, een staalconstructiebedrijf dat in april 2012 failleerde. In het kader van een onderaannemingsovereenkomst (het Teesside-contract) had ING twee bankgaranties verstrekt aan verweerster. Na het faillissement van [A] Foundations riep verweerster de garanties in; ING betaalde in totaal € 5.074.843,75. Op grond van een Corporate Guarantee tussen de banken en Bencis droeg Bencis 50% van dat bedrag (€ 2.537.421,88). Bencis verzocht een voorlopig getuigenverhoor om bewijs te vergaren voor een mogelijke onrechtmatige-daadsvordering, stellend dat verweerster de garanties had ingeroepen na afstemming of samenspanning met de banken en/of curatoren ten nadele van Bencis. Oordeel hof — Het gerechtshof Amsterdam bekrachtigde de afwijzing van de rechtbank. Het hof oordeelde dat verweerster gerechtigd was de garanties in te roepen nu [A] Foundations in staat van faillissement was verklaard en de curatoren het Teesside-contract niet wilden nakomen,…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken