ECLI:NL:HR:2017:309

Hoge Raad 2017-02-24 — Civiel recht

Samenvatting

Instantie en datum — Hoge Raad, 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:309, zaaknummer 15/01948, cassatie. Kernvraag — Kan een niet-rechthebbende eigendom verkrijgen door bevrijdende verjaring ex art. 3:105 lid 1 jo. art. 3:314 lid 2 BW indien het bezit door de eigenaar pas na gericht onderzoek ter plaatse kenbaar was? En kan de voormalige eigenaar die aldus zijn eigendom verliest, de bezitter te kwader trouw aanspreken uit onrechtmatige daad? Feiten — Verweerders zijn eigenaar van een perceel in Drunen. Achter dat perceel ligt een bosperceel (houtwal) van de Gemeente. Op enig moment hebben verweerders een strook van ruim 400 m² van dat bosperceel omheind met een aluminium afrastering van circa 1,40 meter hoogte met een afsluitbaar hek, onderhouden, boshutten gebouwd en een deel van een jeu-de-boulesbaan en een houtopslagplaats aangelegd. In januari 2003 zegde de Gemeente een (door haar veronderstelde) gebruiksovereenkomst op; verweerders betwistten die overeenkomst en beriepen zich op eigendomsverkrijging door verjaring. Verweerders stelden bezitter te zijn geweest vanaf 1974, althans 1980. Oordeel hof — Het hof oordeelde dat sprake was van openbaar en ondubbelzinnig bezit: de plaatsing van de afrastering en het afsluitbaar maken van de strook konden door de Gemeente worden gekwalificeerd als bezitsdaden met eigendomspretentie, en de omstandigheid dat de afrastering vanaf de Heidijk nauwelijks zichtbaar was deed aan de kenbaarheid van het bezit niet af. Dat de Gemeente niet eerd…