Hoge Raad 2017-02-17 — Civiel recht
Instantie en datum — Hoge Raad, 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:275, zaaknummer 15/03646, cassatie (principaal en incidenteel). Kernvraag — Rust de aansprakelijkheid van een rechtspersoon-bestuurder op grond van art. 6:162 BW ingevolge art. 2:11 BW tevens hoofdelijk op de bestuurder van die rechtspersoon-bestuurder, en zo ja, onder welke voorwaarden kan die bestuurder zich disculperen? Voorts: hoe dient de omvang van de aan de schuldeiser veroorzaakte schade bij vermogensonttrekking te worden vastgesteld? Feiten — [verweerster], een Zuid-Afrikaanse fruitexporteur, leverde druiven aan [A] B.V. als commissionair. [A] verantwoordde stelselmatig lagere verkoopopbrengsten en hogere douanerechten dan gerealiseerd. Holding (enig bestuurder en aandeelhouder van [A]) en haar bestuurder [betrokkene 1] zijn bij gewijsde op grond van art. 6:162 BW aansprakelijk gesteld jegens [verweerster]. Daarnaast is een sale-and-leasebackconstructie vastgesteld waarbij € 791.400,-- aan voor verhaal vatbare activa van [A] werd onttrokken, waarbij [eiser] — bestuurder van Holding en daarmee tweedegraads bestuurder van [A] — een geantedateerde overeenkomst had ondertekend. [A] ging in 2008 failliet. Oordeel hof — Het hof oordeelde dat art. 2:11 BW bij een aansprakelijkheid gegrond op art. 6:162 BW niet automatisch tot aansprakelijkheid van de tweedegraads bestuurder leidt; vereist blijft dat die bestuurder persoonlijk een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt. Het hof wees de aansprakelijkheid…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken