Hoge Raad 2017-02-03 — Civiel recht
Instantie en datum — Hoge Raad, 3 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:142, zaaknummer 15/05174, cassatie. Kernvraag — Kan de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid in de zin van art. 3:61 lid 2 BW aan de onbevoegd vertegenwoordigde worden toegerekend op grond van het risicobeginsel, ook zonder eigen toedoen van die vertegenwoordigde, en zo ja: welke feiten en omstandigheden moeten daarvoor aan hem zijn toe te rekenen? Feiten — [Verzoeker] had een hypothecaire geldlening van circa € 3 miljoen die uiterlijk op 14 juni 2013 moest worden terugbetaald. Mr. De Wit trad op als zijn advocaat en had eerder een procedure voor hem gevoerd met betrekking tot de vastgoedportefeuille van veertien registergoederen; hij beschikte daardoor over alle voor de verkoop en levering relevante documenten. [Betrokkene 3] — de voorman van [verweerder] — benaderde mr. De Wit met de vraag of de vastgoedportefeuille te koop was. Mr. De Wit stuurde op 11 juni 2013 een e-mail aan de notaris van [betrokkene 3], met alle relevante documenten als bijlage, waaruit bleek dat de portefeuille zou worden gekocht voor € 3.225.000,--, en deelde [betrokkene 3] per sms mee dat er een deal was voor dat bedrag. [Verzoeker] had ingestemd met het zoeken naar een potentiële koper in het netwerk van mr. De Wit, maar betwistte dat hij mr. De Wit een volmacht had verleend tot het sluiten van de koopovereenkomst. Oordeel hof — Het hof oordeelde veronderstellenderwijs dat geen volmacht was verleend, maar achtte [verzoeker] toch…