ECLI:NL:HR:2010:BK7671

Hoge Raad 2010-02-19 — Civiel recht

Samenvatting

Instantie en datum — Hoge Raad, 19 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK7671, zaaknummer 08/02127, cassatie. Kernvraag — Onder welke omstandigheden kan een bank zich beroepen op toerekenbare schijn van volmachtverlening in de zin van art. 3:61 lid 2 BW, wanneer zij betalingsopdrachten heeft uitgevoerd van een derde die formeel niet als gevolmachtigde op de handtekeningenkaart was opgenomen? Meer in het bijzonder: mocht het hof daarvoor de maatstaf hanteren dat zulks alleen onder "zeer bijzondere omstandigheden" toelaatbaar is? Feiten — Bera Holding N.V. (Suriname) heeft in april 2003 bij ING rekeningen geopend; enig bevoegde vertegenwoordiger was [betrokkene 1], die als enige de handtekeningenkaart ondertekende. Op verzoek van [betrokkene 1] werden bankafschriften verzonden naar het bedrijfsadres van [betrokkene 2], de medeoprichter van Bera Holding die zeggenschap had over een aantal Nederlandse vennootschappen. ING heeft in de periode oktober 2003 tot maart 2004 in opdracht van [betrokkene 2] in totaal € 210.000,-- van de rekeningen van Bera Holding overgeboekt naar vennootschappen van [betrokkene 2]. Niet in geschil is dat [betrokkene 2] daartoe niet bevoegd was. Bera Holding vorderde een verklaring voor recht dat ING zonder bevoegde opdracht heeft gehandeld; rechtbank en hof wezen die vordering (grotendeels) toe. Oordeel hof — Het hof oordeelde dat ING als bank was gehouden zich ervan te vergewissen of degene die betalingsopdrachten gaf daartoe bevoegd was, en dat ING zich d…