Hoge Raad 2017-06-02 — Civiel recht
Instantie en datum — Hoge Raad, 2 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1012, zaaknummer 16/00390, cassatie. Kernvraag — Kan de eisende partij na cassatie en verwijzing haar eis uitbreiden op nieuwe rechtsgrondslagen (wanprestatie, onrechtmatige daad, ongerechtvaardigde verrijking)? Daarnaast lagen vragen voor over de inningsbevoegdheid van een verpandende schuldeiser, het intreden van verzuim bij een ongedaanmakingsvordering en de mogelijkheid van verwijzing naar de schadestaatprocedure voor huuropbrengsten. Feiten — Op 31 december 2007 heeft FBS een bedrijfspand gekocht van Vano, dat op 31 januari 2008 werd geleverd. FBS heeft Vano aansprakelijk gesteld wegens onjuist afgegeven garanties. In de procedure na verwijzing door de Hoge Raad (eerste cassatie: ECLI:NL:HR:2013:CA3765) heeft Vano haar eis uitgebreid met een vordering gebaseerd op wanprestatie en ongerechtvaardigde verrijking in verband met de executoriale verkoop van het bedrijfspand (opbrengst € 775.000,-). Het hof 's-Hertogenbosch heeft de koopovereenkomst vernietigd wegens dwaling en Vano veroordeeld tot terugbetaling van de koopsom. Oordeel hof — Het hof oordeelde dat de eiswijziging onder 4 niet toelaatbaar was, zowel omdat zij buiten de grenzen van de rechtsstrijd na verwijzing viel als omdat zij in strijd was met de eisen van een goede procesorde (art. 130 Rv). Het hof verwierp het beroep van Vano op de inningsonbevoegdheid van FBS, oordeelde dat wettelijke rente toewijsbaar was vanaf de datum van de inleidende dagvaar…