Hoge Raad 2019-04-05 — Civiel recht; Verbintenissenrecht
Instantie en datum — Hoge Raad, 5 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:506, zaaknummer 18/01146, cassatie. Kernvraag — Wanneer is sprake van kwade trouw in de zin van art. 6:205 BW bij de ontvangst van betalingen op grond van een effectenleaseovereenkomst die later wordt vernietigd wegens het ontbreken van de vereiste toestemming van de echtgenoot (art. 1:88–1:89 BW)? Kan die kwade trouw reeds worden aangenomen op de grond dat Dexia wist dat art. 1:88 BW van toepassing was en dat de handtekening van de echtgenote ontbrak? Feiten — Verweerder heeft in 2001 een effectenleaseovereenkomst ('Allround Effect Vooruitbetaling 15 jaar') gesloten met de rechtsvoorgangster van Dexia voor een leasesom van € 89.848,80. De overeenkomst is niet mede ondertekend door zijn echtgenote; zij heeft de overeenkomst bij brief van 5 augustus 2005 vernietigd op grond van art. 1:88 lid 1 aanhef en onder d BW jo. art. 1:89 BW. Dexia heeft de overeenkomst wegens betalingsachterstand beëindigd en een eindafrekening per 12 december 2006 opgesteld die uitkwam op een aan verweerder toekomend saldo van € 4.039,83. Verweerder heeft in 2007 een opt-out verklaring ingediend en Dexia in 2016 gesommeerd tot terugbetaling van de door hem betaalde bedragen. Oordeel hof — Het hof bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter en oordeelde dat Dexia de betalingen te kwader trouw had ontvangen in de zin van art. 6:205 BW, omdat zij ten tijde van het aangaan van de overeenkomst wist dat art. 1:88 BW van toepassing was — de overe…