Hoge Raad 2016-11-18 — Civiel recht
Samenvatting HR 18 november 2016 (FGH Bank / Fraanje) Kernvraag Kan een beslaglegger (Fraanje) zich beroepen op de derdenbeschermingsbepaling van art. 3:36 BW? En kan FGH Bank haar hypotheekrecht, dat abusievelijk was doorgehaald en later via rectificatie was hersteld, aan Fraanje tegenwerpen? Feiten FGH had een hypotheekrecht op appartementsrecht A-13 (kantoorvilla 'Apollo'). Bij notariële akte van 1 september 2011 werd dit hypotheekrecht per vergissing doorgehaald — FGH had daarvoor geen wilsverklaring afgegeven. Op 10 november 2011 legde Fraanje conservatoir beslag op A-13. Op 8 december 2011 volgde rectificatie; het hypotheekrecht werd hersteld en opnieuw ingeschreven. Overwegingen rechter 1. Geldigheid afstand hypotheekrecht: Het hof stelde vast dat FGH geen wil had om afstand te doen van haar hypotheekrecht. De doorhaling was daardoor niet rechtsgeldig; het eerste hypotheekrecht bleef in beginsel bestaan. 2. Beroep Fraanje op art. 3:36 BW: FGH betwistte dat een beslaglegger een beroep kan doen op art. 3:36 BW. Het hof verwierp dit standpunt. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever uitdrukkelijk ook schuldeisers — inclusief beslagleggers — bescherming onder art. 3:36 BW wilde bieden. De beperking tot verkrijgers van registergoederen geldt alleen voor art. 3:24 BW, niet voor de algemene derdenbeschermingsbepaling van art. 3:36 BW. Ook het beroep op het arrest Ontvanger/Troost (HR 1990) faalde, omdat dat arrest het oude recht betrof. 3. Tijdstip en volgorde handeli…