Hoge Raad 2016-02-12 — Civiel recht
Instantie en datum — Hoge Raad, 12 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:236, zaaknummer 15/03359, prejudiciële beslissing. Kernvraag — In hoeverre dient de rechter ambtshalve te toetsen of een 'telefoonabonnement inclusief toestel' voldoet aan de eisen van art. 7A:1576 lid 2 BW en art. 7:61 lid 2 BW, en wat zijn de gevolgen voor de afwikkeling indien die overeenkomst niet van kracht is dan wel wordt vernietigd? Feiten — [A] sloot op 17 juni 2014 met KPN een overeenkomst voor twee mobiele aansluitingen, waarbij hem twee telefoontoestellen ter beschikking werden gesteld. Na het onbetaald laten van facturen ontbond KPN de overeenkomst en cedeerde zij haar vordering (€ 2.034,87 aan hoofdsom, rente en kosten) aan Lindorff. Lindorff vordert betaling bij verstek; in de overeenkomst was geen afzonderlijke koopprijs voor de toestellen vermeld, maar een all-in maandbedrag. De kantonrechter stelde prejudiciële vragen die voortbouwen op HR 13 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1385 (Lindorff/Statia). Overwegingen — Vraag d — all-in prijs voldoet niet (r.o. 3.4.2 en 3.5–3.6) Art. 7:61 lid 2 aanhef en onder e BW vereist dat in de kredietovereenkomst de contante koopprijs van het goed afzonderlijk wordt vermeld; zonder die informatie kan de consument geen weloverwogen beslissing nemen over het krediet. Art. 7A:1576 lid 2 BW bepaalt dat de koop op afbetaling niet van kracht is tenzij de koopprijs in de overeenkomst is bepaald; een all-in prijs waaruit de koopprijs van de telefoon niet valt af te leiden,…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken