Hoge Raad 2015-10-09 — Civiel recht
Instantie en datum — Hoge Raad, 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3011, zaaknummer 15/02543, prejudiciële beslissing. Kernvraag — Op welke wijze dient het kindgebonden budget, inclusief de alleenstaande ouderkop, te worden betrokken bij de berekening van kinderalimentatie: in mindering op de behoefte van het kind, of als onderdeel van de draagkracht van de ontvangende ouder? Dient daarbij een onderscheid te worden gemaakt tussen de alleenstaande ouderkop en het overige deel van het kindgebonden budget? Feiten — Na echtscheiding is in hoger beroep de kinderalimentatie opnieuw vastgesteld voor twee minderjarige kinderen. Vanaf 1 januari 2015 geldt de Wet Hervorming Kindregelingen (WHK), waarbij de alleenstaande ouderkop is geïntroduceerd als onderdeel van het kindgebonden budget, ter vervanging van de alleenstaande oudertoeslag en de alleenstaande ouderkorting. Afhankelijk van de rekenmethode — aftrek op behoefte dan wel verhoging draagkracht — bedraagt de door de man te betalen kinderalimentatie respectievelijk € 23,- of € 134,- per maand. Het hof Den Haag heeft prejudiciële vragen gesteld nu de rechtsopvatting hierover in de rechtspraktijk verdeeld was en de wetgever bij de invoering van de WHK geen expliciete keuze heeft gemaakt. Overwegingen — De Hoge Raad stelt voorop (r.o. 3.4.1) dat ouders ingevolge art. 1:404 lid 1 BW verplicht zijn naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen, en dat deze verplichting ongeacht de ei…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken