ECLI:NL:HR:2014:525

Hoge Raad 2014-03-07 — Civiel recht

Samenvatting

Instantie en datum — Hoge Raad, 7 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:525, zaaknummer 13/04148, prejudiciële beslissing. Kernvraag — Wie dient als procespartij te worden betrokken in een geding over een onder beschermingsbewind gesteld goed: de rechthebbende of de bewindvoerder? En kan de bewindvoerder alsnog als formele procespartij optreden wanneer de procedure aanvankelijk (bij verstek) tegen de rechthebbende zelf is gevoerd? Feiten — Over de goederen van betrokkene is bij beschikking van 25 oktober 2011 beschermingsbewind ingesteld op grond van art. 1:431 BW. Gedaagde heeft betrokkene (zonder de bewindvoerder te dagvaarden) voor de kantonrechter gedagvaard en vorderingen ingesteld tot verklaring voor recht dat de huurovereenkomst is ontbonden, betaling van huurachterstand en schadevergoeding wegens beschadiging van het gehuurde. De kantonrechter heeft deze vorderingen bij verstek toegewezen, waarna op 3 december 2012 ontruiming heeft plaatsgevonden. De bewindvoerder is vervolgens in verzet gekomen van het verstekvonnis en vordert in reconventie onder meer herstel van het woongenot en schadevergoeding. De kantonrechter heeft prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad. Overwegingen — De Hoge Raad stelt in r.o. 3.3.2 voorop dat tijdens het bewind het beheer en de beschikking over de onder bewind staande goederen niet toekomen aan de rechthebbende maar aan de bewindvoerder (art. 1:438 leden 1 en 2 BW). Op grond van art. 1:441 lid 1 BW vertegenwoordigt de bewindvoerder de rechthebb…

Gerelateerde uitspraken

Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken