ECLI:NL:HR:2014:3603

Hoge Raad 2014-12-19 — Bestuursrecht; Belastingrecht

Samenvatting

Instantie en datum — Hoge Raad, 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3603, zaaknummer 13/05786, cassatie. Kernvraag — Kan bij belastingheffing bij wege van voldoening op aangifte een te hoge bpm-betaling worden aangemerkt als het gevolg van een aan de Inspecteur te wijten onrechtmatigheid in de zin van art. 7:15 lid 2 Awb, zodat aanspraak bestaat op vergoeding van bezwaarkosten? En bestaat in dat geval aanleiding voor een integrale kostenvergoeding wegens schending van Unierecht? Feiten — Belanghebbende heeft op aangifte bpm voldaan ter zake van de registratie van een gebruikte personenauto. Bij de berekening van de belastingvermindering wegens afschrijving heeft hij gebruik gemaakt van de forfaitaire tabel van art. 8 lid 6 van de Uitvoeringsregeling BPM, omdat hij ervan uitging dat de alternatieve berekeningswijze op basis van art. 10 lid 2 Wet BPM jo. art. 8 lid 1 van de Uitvoeringsregeling rechtsgeldig was. Bij arrest van 2 maart 2012 (BNB 2012/147) oordeelde de Hoge Raad dat die berekeningswijze in strijd is met art. 110 VWEU. De Inspecteur heeft het bezwaar vervolgens gegrond verklaard en € 736 bpm terugbetaald, maar een kostenvergoeding geweigerd omdat geen sprake zou zijn van een aan hem te wijten onrechtmatigheid. Oordeel hof — Het hof oordeelde, in navolging van de rechtbank, dat de Inspecteur terecht geen proceskostenvergoeding had toegekend, omdat het bestreden besluit niet was herroepen wegens een aan de Inspecteur te wijten onrechtmatigheid: het betaalde bedrag ste…

Gerelateerde uitspraken

Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken