ECLI:NL:HR:2014:3016

Hoge Raad 2014-10-24 — Bestuursrecht; Belastingrecht

Samenvatting

Samenvatting HR 24 oktober 2014, nr. 14/01601 Kernvraag De centrale vraag betreft de sociale zekerheidsplicht van een in Nederland woonachtige kapitein die in 2005 in loondienst werkte bij een Luxemburgse werkgever aan boord van een motortankschip. Specifiek: is hij in Nederland verzekerd en premieplichtig voor de volksverzekeringen op grond van het Verdrag betreffende de sociale zekerheid van Rijnvarenden? Dit hangt af van de vraag tot welke onderneming het schip behoort en waar die onderneming is gevestigd. Overwegingen Het Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde dat de Inspecteur niet aannemelijk had gemaakt dat het schip behoorde tot de onderneming van de Nederlandse eigenaar ([L] B.V.), en liet daarmee in het midden of het schip tot de Luxemburgse werkgever behoorde. De Hoge Raad oordeelt dat het Hof dit oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd. Het Hof heeft namelijk geen onderzoek gedaan naar de door de Inspecteur aangevoerde feiten over de exploitatie door de Nederlandse eigenaar, waaronder verwijzingen naar jaarstukken waaruit zou blijken dat [L] B.V. omzet realiseerde, vrachtopbrengsten genoot, onderhoudskosten droeg en personeel in dienst had. Deze feiten waren potentieel relevant voor de beslissing. Tevens geeft de Hoge Raad een richtlijn voor de bewijslastverdeling na verwijzing: nu belanghebbende stelt dat de onderneming in het buitenland is gevestigd (waardoor hij niet in Nederland verzekerd zou zijn), rust op hém de stelplicht en bewijslast voor de relevante feiten. Bes…