Hoge Raad 2022-05-27 — Bestuursrecht; Belastingrecht
Instantie en datum — Hoge Raad, 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:752, zaaknummer 21/02977, cassatie. Kernvraag — Twee zelfstandige vragen lagen voor: (1) staat het Unierecht in de weg aan interne compensatie wanneer de belastingplichtige bij het berekenen van de op aangifte voldane bpm zowel fouten in zijn nadeel als fouten in zijn voordeel heeft gemaakt? (2) Rechtvaardigt de coronapandemie in algemene zin een verlenging van de redelijke termijn van berechting in hoger beroep? Aanvullend beoordeelt de Hoge Raad ambtshalve of het onderscheid in puntwaarden voor proceskostenvergoeding dat per 1 juli 2021 in het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) is ingevoerd voor WOZ- en bpm-zaken, in strijd is met het discriminatieverbod van art. 1 Grondwet. Feiten — Belanghebbende heeft in 2017 een gebruikte auto met meer dan normale gebruiksschade vanuit Duitsland naar Nederland overgebracht en op aangifte € 4.594 aan bpm voldaan. Bij de aangifte is de afschrijving bepaald via de taxatiemethode van art. 10 lid 8 letter a Wet bpm, waarbij honderd procent van de geraamde herstelkosten (€ 8.977) als waardevermindering in aanmerking is genomen. De Rechtbank verleende een teruggave van € 128 wegens een onjuiste tijdsbasis (leeftijdskorting). In hoger beroep beriep belanghebbende zich alsnog op het lagere bpm-tarief van 2013 (art. 16a Wet bpm); de inspecteur voerde bij wijze van interne compensatie aan dat slechts 72% van de herstelkosten als waardevermindering had mogen worden…