Hoge Raad 2014-10-10 — Civiel recht
Instantie en datum — Hoge Raad, 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2929, zaaknummer 13/02588, cassatie. Kernvraag — Of een kredietverlener die op grond van een contractuele opeisbaarheidsclausule (art. 11.1 ABK) de rentevaste leningen tussentijds beëindigt, waardoor een vergoeding wegens vervroegde aflossing verschuldigd wordt, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar handelt in de zin van art. 6:248 lid 2 BW. Voorts of de toetsing afzonderlijk per (groep van) rechtsgevolgen mag plaatsvinden. Feiten — ING Bank sloot met verweersters (hierna: [verweerster] c.s.) een kredietfaciliteit van € 2.410.000,-, bestaande uit een rekening-courantkrediet voor onbepaalde tijd en twee rentevaste leningen voor bepaalde tijd. In de toepasselijke ABK bepaalt art. 11.1 dat de kredietfaciliteit automatisch eindigt en alle bedragen terstond opeisbaar worden bij onder meer het niet(-tijdig) nakomen van verplichtingen. Art. 25.2 ABK verplicht de kredietnemer bij vervroegde aflossing, ook na opeising, de contante waarde van het renteverschil over de resterende rentevastperiode te vergoeden. In 2008 onttrok de (indirect) enig aandeelhouder van [verweerster] c.s. meer aan de vennootschappen dan afgesproken, nam het eigen vermogen in strijd met de afspraken af, en werden kwartaalcijfers steeds te laat aangeleverd. In juni-juli 2009 zegde ING Bank de kredietrelatie op per uiteindelijk 1 maart 2010, onder aanspraak op een vergoeding wegens vervroegde aflossing van € 122.125,69. [Ver…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken