Hoge Raad 2012-12-21 — Civiel recht
Instantie en datum — Hoge Raad, 21 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX7491, zaaknummer 11/05496, cassatie. Kernvraag — Heeft het hof het leerstuk van de kansschade dan wel proportionele aansprakelijkheid correct toegepast bij de vaststelling van de schade als gevolg van een beroepsfout van een belastingadviseur, en was daarvoor condicio-sine-qua-non-verband vereist? Feiten — Verweerder 1 trad in 1988 uit een accountantsmaatschap en gaf eiser 1 (werkzaam bij wat later Deloitte werd) opdracht hem te adviseren over de fiscale consequenties. Eiser 1 adviseerde geruisloze inbreng van de uittreedsom in H&H Beheer, maar maakte geen melding van de zogenoemde ruilarresten. Het verzoek tot geruisloze inbreng werd door de belastingdienst afgewezen; verweerder 1 betaalde uiteindelijk ƒ 480.000,- aan inkomstenbelasting in plaats van de geadviseerde ƒ 405.000,-. Vast staat dat eiser 1 toerekenbaar is tekortgeschoten. Na vernietiging van een eerder hof-arrest door de Hoge Raad in 2009 heeft het hof Amsterdam na verwijzing eisers veroordeeld tot betaling van 60% van de door verweerder 1 geleden schade, op te maken bij staat. Oordeel hof — Het hof oordeelde dat beoordeeld moest worden of verweerder 1 in de hypothetische situatie dat hij wél op de ruilarresten was gewezen, aan de daarvoor geldende vereisten had kunnen voldoen. Het hof achtte voldoende aannemelijk dat verweerder 1 het advies zou hebben opgevolgd en actief zou hebben gezocht naar inkoop in een ander kantoor, maar nam onzekerheid…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken