Hoge Raad 2012-10-05 — Civiel recht
Instantie en datum — Hoge Raad, 5 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9230, zaaknummer 11/02231, cassatie. Kernvraag — Weegt het recht op vrijheid van meningsuiting en persvrijheid (art. 10 EVRM) zwaarder dan het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer (art. 8 EVRM) bij het uitzenden van zonder toestemming, met verborgen camera gemaakte opnamen van een tot levenslang veroordeelde gedetineerde? En dient de rechter daarbij afzonderlijk te onderzoeken of een verbod noodzakelijk en proportioneel is, en of minder vergaande alternatieven beschikbaar zijn? Feiten — Verweerder is in 1982 tot levenslange gevangenisstraf veroordeeld wegens ontvoering, misbruik en moord op drie meisjes. Een jeugdvriend maakte tijdens acht bezoeken aan verweerder in een TBS-kliniek heimelijk opnamen met een verborgen camera. Endemol, SBS en De Vries wilden deze opnamen uitzenden in het televisieprogramma "Peter R. de Vries, Misdaadverslaggever". Na een eerste kort geding, waarbij uitzending van de opnamen zelf werd verboden maar citeren uit de opnamen was toegestaan, werden de opnamen op 11 april 2010 toch gedeeltelijk uitgezonden. In het tweede kort geding werd De Vries eveneens aan het verbod gebonden en werden de dwangsommen verhoogd tot € 500.000,-- per overtreding. Het hof bekrachtigde beide vonnissen. Oordeel hof — Het hof oordeelde dat bij een botsing tussen art. 10 EVRM en art. 8 EVRM geen van beide rechten als uitgangspunt voorrang heeft; alle relevante omstandigheden van het geval mo…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken