Parket bij de Hoge Raad 10 mei 2019 — Civiel recht
Instantie en datum — Parket bij de Hoge Raad (A-G Wattel), 10 mei 2019, ECLI:NL:PHR:2019:496, zaaknummer 18/04298, prejudiciële procedure. Kernvraag — De rechtbank Noord-Nederland heeft negen prejudiciële vragen gesteld over de omvang en grondslagen van aansprakelijkheid voor aardbevingsschade door gaswinning uit het Groningenveld, waaronder de positie van EBN als exploitant in de zin van art. 6:177 BW, Staatsaansprakelijkheid ex art. 6:162 BW, de kracht van het bewijsvermoeden van art. 6:177a BW, toerekening van schade bij predispositie, vergoeding van waardedaling van woningen zonder verkoop, gemist woongenot en immateriële schadevergoeding ex art. 6:106 lid 1 sub b BW. Feiten — Eisers zijn eigenaar van een boerderij-woning in de gemeente Delfzijl, gelegen boven het Groningenveld. Zij hebben de woning in 2011 te koop gezet, maar kregen geen kopers. De WOZ-waarde daalde van € 199.000 (2011) naar € 108.000 (2015). NAM heeft de gemelde zaakschade als B-schade (reeds bestaande schade verergerd door aardbeving) gekwalificeerd en een vergoeding van € 18.871,69 aangeboden, die eisers hebben afgewezen. Beiden zijn in 2016 gediagnosticeerd met PTSS. Verweerders zijn de Maatschap Groningen, NAM, EBN en de Staat. NAM erkent risicoaansprakelijkheid ex art. 6:177 lid 1 sub b BW. Overwegingen — Vraag 1 — Verschil art. 6:177 en art. 6:162 BW voor (im)materiële schadevergoeding (r.o. 4.1.7–4.1.12) De aard van de aansprakelijkheid is in beginsel geen reden voor beperkte toerekening ex art.…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken