ECLI:NL:HR:2011:BU2834

Hoge Raad 2011-12-09 — Civiel recht

Samenvatting

Instantie en datum — Hoge Raad, 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU2834, zaaknummer 11/04386 (CW 2613), cassatie in het belang der wet. Kernvraag — Is de Nederlandse rechter bevoegd kennis te nemen van een op het Haagse Kinderontvoeringsverdrag (HKOV) gebaseerde vordering tot teruggeleiding van een kind, wanneer het kind zich in een andere verdragsluitende staat (België) bevindt? Feiten — De man en de vrouw hadden gezamenlijk gezag over hun kind, met hoofdverblijf bij de man in Nederland. In september 2009 weigerde de vrouw het kind na een vakantieperiode terug te brengen naar Nederland; het kind verbleef sindsdien bij de vrouw in België. De man dagvaardde de vrouw in kort geding voor de voorzieningenrechter te Breda en baseerde zijn teruggeleidingsvordering op het HKOV. De voorzieningenrechter achtte zich bevoegd op grond van art. 10 Verordening Brussel IIbis, omdat het kind vóór de niet-terugkeer zijn gewone verblijfplaats in het arrondissement Breda had, en wees de vordering toe. Tegen dit vonnis is geen gewoon rechtsmiddel ingesteld; de Procureur-Generaal heeft cassatie in het belang der wet ingesteld. Oordeel hof — Niet van toepassing (voorzieningenrechter in eerste aanleg). Overwegingen — In r.o. 3.5 stelt de Hoge Raad voorop dat de bevoegdheid in dit geval niet kan worden gebaseerd op art. 10 Verordening Brussel IIbis. Dat artikel ziet op de bevoegdheid om ten gronde te beslissen over de ouderlijke verantwoordelijkheid. Een beslissing op een HKOV-vordering tot onmidde…

Gerelateerde uitspraken

Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken