Hoge Raad 2011-09-09 — Civiel recht
Instantie en datum — Hoge Raad, 9 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ8097, zaaknummer 10/03988, cassatie. Kernvraag — Vereist de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) bij elke gegevensverwerking een afweging van de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit, of geldt die verplichting uitsluitend wanneer de verwerking op art. 8 aanhef en onder f Wbp is gebaseerd? In het verlengde daarvan: had Santander in de gegeven omstandigheden mogen overgaan tot registratie van bijzonderheidscodes bij het BKR? Feiten — Santander verstrekte aan verweerder een doorlopend krediet met een limiet van € 1.225,-. In juni 2006 ontstond een betalingsachterstand van € 20,-, waarna Santander het nog openstaande saldo van € 315,18 opeisbaar stelde. Op 7 juli 2006 meldde Santander bijzonderheid A en op 29 september 2006 bijzonderheidscode 2 ter registratie in het CKI van het BKR. Verweerder had gedurende ruim negen jaren correct betaald; hij stelt dat hij was verhuisd en de aanmaningen niet had ontvangen. Op 13 oktober 2007 voldeed verweerder de gehele openstaande vordering. Bij brief van 4 november 2008 maakte zijn gemachtigde bezwaar tegen de registratie en verzocht verwijdering, maar Santander weigerde. De registratie verhinderde verweerder vervolgens een hypothecaire lening te verkrijgen. Oordeel hof — Het hof (nevenzittingsplaats Arnhem) bekrachtigde de beschikking van de rechtbank Utrecht, waarbij Santander werd bevolen de bijzonderheidscodes uit het CKI te verwijderen. Het hof oordeelde…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken