Hoge Raad 2011-02-04 — Bestuursrecht; Belastingrecht
Instantie en datum — Hoge Raad, 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2975, zaaknummer 09/02123, cassatie. Kernvraag — Wanneer bestaat grond voor een integrale vergoeding van proceskosten in afwijking van de forfaitaire bedragen van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit)? Meer in het bijzonder: levert vergaand onzorgvuldig handelen bij het opleggen van een navorderingsaanslag — ook los van de vraag of de aanslag klaarblijkelijk niet stand zou houden — een bijzondere omstandigheid op als bedoeld in art. 2 lid 3 van het Besluit? Feiten — De Inspecteur legde op 27 april 2005 aan belanghebbende navorderingsaanslagen IB/PVV op over 2002 en 2003, waarbij € 25.000 per jaar als resultaat uit overige werkzaamheden in aanmerking werd genomen, en tevens vergrijpboetes. De aanslagen werden terstond invorderbaar gesteld; diezelfde dag werd beslag gelegd op roerende zaken van belanghebbende, haar echtgenoot en hun kinderen. Na herhaalde aanmaningen vond pas op 27 januari 2006 een hoorgesprek plaats, waarna de aanslagen en boetes bij uitspraken op bezwaar werden vernietigd. De Inspecteur erkende intern dat sprake was van "ernstig onzorgvuldig handelen" en dat de aanslagen weliswaar op vermoedens waren gebaseerd, maar dat onvoldoende bewijs aanwezig was om deze in beroep te dragen. Bij de uitspraken op bezwaar kende de Inspecteur slechts een forfaitaire kostenvergoeding toe; het Hof kende vervolgens een integrale vergoeding toe op grond van bijzondere omstandigheden ex ar…