Hoge Raad 2008-06-27 — Civiel recht
Instantie en datum — Hoge Raad, 27 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1494, zaaknummer C07/039HR, cassatie. Kernvraag — Kan een brief die de nietigheid van een ontslag op staande voet inroept op een onjuiste juridische grondslag (art. 6 BBA 1945, dat niet van toepassing was), gelden als een stuitende mededeling in de zin van art. 3:317 lid 1 BW voor de verjaringstermijn van art. 7:683 BW ter zake van een vordering wegens kennelijk onredelijk ontslag op grond van art. 7:681 BW? Feiten — Eiser is op 17 maart 2004 op staande voet ontslagen door Trio, een WSW-organisatie. Het BBA 1945 was op de arbeidsverhouding niet van toepassing. Bij brief van 16 september 2004 vernietigde eisers advocaat per fax het ontslag wegens het ontbreken van toestemming als bedoeld in art. 6 BBA 1945, sommeerde hij tot loondoorbetaling en intrekking van het ontslag, en behield hij zich het recht voor de vorderingen in rechte in te stellen. Op 26 oktober 2004 dagvaardde eiser Trio, waarbij hij herstel van de dienstbetrekking en schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk althans onregelmatig ontslag vorderde. Trio stelde dat de vorderingen waren verjaard op grond van de zesmaandentermijn van art. 7:683 BW. Oordeel hof — Het hof bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter, waarbij eiser niet-ontvankelijk was verklaard. Het hof oordeelde dat de brief van 16 september 2004 niet voldeed aan de eisen van art. 3:317 lid 1 BW, omdat daarin niet valt te lezen dat eiser zich het recht voorbehield een vordering wege…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken