Hoge Raad 2007-04-13 — Bestuursrecht; Belastingrecht
Instantie en datum — Hoge Raad, 13 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2802, zaaknummer 41.235, cassatie. Kernvraag — Onder welke omstandigheden rechtvaardigt een onjuist standpunt van een bestuursorgaan dat in strijd is met een belastingverdrag of de goede trouw in de zin van art. 26 of 31 van het Verdrag van Wenen een proceskostenvergoeding boven de forfaitaire bedragen van het Besluit proceskosten bestuursrecht? Feiten — Aan belanghebbende is voor het jaar 1999 een aanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar binnenlands inkomen van ƒ 312.743. Het Hof heeft de aanslag verminderd tot nihil en geoordeeld dat sprake was van bijzondere omstandigheden als bedoeld in art. 2, lid 3, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit), omdat Nederland art. 26 van het Verdrag van Wenen willens en wetens zou hebben overtreden. Op grond daarvan kende het Hof een integrale proceskostenvergoeding toe van € 9.075. De Staatssecretaris van Financiën stelde cassatie in tegen uitsluitend de proceskostenveroordeling. Oordeel hof — Het Hof oordeelde dat het innemen van een standpunt in strijd met de goede trouw als bedoeld in art. 26 van het Verdrag van Wenen een bijzondere omstandigheid oplevert die afwijking van de forfaitaire vergoeding rechtvaardigt, en kende integrale proceskosten toe van € 9.075. Overwegingen — In r.o. 3.2 formuleert de Hoge Raad de maatstaf voor afwijking van de forfaitaire bedragen: Kernoverweging: > Niet reeds het feit dat een onjuist bevonden standpunt van he…