ECLI:NL:HR:2002:AE4553

Hoge Raad 2002-11-29 — Civiel recht

Samenvatting

Instantie en datum — Hoge Raad, 29 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4553, zaaknummer C01/310HR, cassatie. Kernvraag — Moet de eigenaar van de grond na het einde van een opstalrecht de huurovereenkomst gestand doen ten aanzien van een huurder van bedrijfsruimte (art. 7A:1624 BW), wanneer die huurovereenkomst oorspronkelijk is aangegaan voor tien jaar maar op het tijdstip van het einde van het opstalrecht loopt binnen een verlengde termijn van vijf jaar? Meer in het bijzonder: ziet de uitzondering van art. 5:94 lid 2 BW ("verhuurd voor een langere tijd dan vijf jaren") uitsluitend op de oorspronkelijke looptijd of ook op later verlengde termijnen? Feiten — [Verweerder] huurt een kiosk (bedrijfsruimte in de zin van art. 7A:1624 BW) die zijn vader en later diens erfgenamen als opstalgerechtigden op een stuk grond van de Gemeente Groningen hadden gebouwd. De huurovereenkomst is in 1983 aangegaan voor tien jaar en nadien tweemaal voor vijf jaar verlengd. Het opstalrecht eindigde per 14 juni 2001, waarna de Gemeente ontruiming vorderde en zich op het standpunt stelde dat zij ingevolge art. 5:94 lid 2 jo. art. 5:104 lid 2 BW de huur niet gestand hoefde te doen omdat de overeenkomst aanvankelijk voor langer dan vijf jaar was aangegaan. Oordeel hof — Het Hof Leeuwarden vernietigde het vonnis van de President en wees de ontruimingsvordering af. Het Hof oordeelde, ten eerste, dat de Gemeente de spoedeisendheid zelf had gecreëerd door niets te doen en dat zij eerst een bodemprocedure had…

Gerelateerde uitspraken

Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken