Hoge Raad 2002-10-04 — Civiel recht
Instantie en datum — Hoge Raad, 4 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4358, zaaknummer C01/057HR, cassatie. Kernvraag — Wanneer raakt een schuldenaar zonder formele ingebrekestelling in verzuim op grond van art. 6:83 aanhef en onder a BW, en volstaat daartoe de enkele eenzijdige termijnstelling door de schuldeiser die de schuldenaar heeft begrepen? Feiten — Eiseres heeft in opdracht van verweerster 1 een destillatietoren gebouwd, die in september 1995 in gebruik is genomen. In november 1995 bleken lekkages op te treden. Bij brief van 9 januari 1996 heeft verweerster 1 bevestigd dat een oplossing voor het lekdicht maken vóór of uiterlijk op 27 januari 1996 zou worden aangedragen. Eiseres reageerde op 26 januari 1996 en gaf op 1 maart 1996 een garantieverklaring af. In april 1996 trad opnieuw lekkage op, waarna partijen tot eind augustus 1996 in gesprek bleven over mogelijke oplossingen. Eind augustus 1996 deelde de raadsman van verweerster 1 mee dat verder van het project werd afgezien. Oordeel hof — Het hof oordeelde dat eiseres in verzuim was geraakt doordat zij haar verplichtingen niet had nagekomen binnen de in de brief van 9 januari 1996 gestelde termijn, welke termijn als een fatale termijn in de zin van art. 6:83 aanhef en onder a BW moest worden beschouwd, zoals eiseres had moeten begrijpen. Op grond daarvan vernietigde het hof het vonnis van de rechtbank, wees de vordering van eiseres in conventie af en wees de reconventionele vorderingen toe, waaronder ontbinding van de…