ECLI:NL:HR:2022:958

Hoge Raad 2022-06-28 — Strafrecht

Samenvatting

Instantie en datum — Hoge Raad, 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:958, zaaknummer 21/00112, cassatie. Kernvraag — Onder welke voorwaarden bestaat aanspraak op vergoeding van schokschade (art. 6:106 lid 1 onder b BW), en kan de toewijzing van schokschade aan de vader van het slachtoffer – die zijn dochter in het mortuarium aanschouwde – in stand blijven wanneer die confrontatie niet onverhoeds en onvermijdbaar was? Feiten — De verdachte heeft op 8 juni 2015 haar achtjarige dochter opzettelijk van grote hoogte van een flatgebouw doen of laten vallen, ten gevolge waarvan het kind overleed. De vader van het slachtoffer (benadeelde partij) heeft zijn dochter later in het mortuarium gezien, waarbij nog deels zichtbaar was hoe ernstig de gevolgen van de val voor haar lichaam waren geweest. Voorts is hij tijdens eigen onderzoek geconfronteerd met foto's van zijn dochter direct na de val. Klinisch psycholoog prof. dr. A. de Keijser diagnosticeerde in 2018 bij de vader een posttraumatische stressstoornis (PTSS). Het hof wees de vordering tot schokschade toe tot € 20.000,-, vermeerderd met wettelijke rente. Oordeel hof — Het hof heeft vastgesteld dat de vader als gevolg van de confrontatie in het mortuarium lijdt aan PTSS, waarvoor intensieve behandeling aangewezen is maar waaraan hij door de voortdurende aandacht voor de strafzaak nog niet had kunnen toekomen. Gelet op de aard van de aansprakelijkheid (opzettelijk handelen), de ernst van de inbreuk op het rechtsgevoel en de ernst en duur…

Gerelateerde uitspraken

Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken