Hoge Raad 1996-06-14 — Civiel recht
Instantie en datum — Hoge Raad, 14 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2105, zaaknummer 16.008, cassatie. Kernvraag — In hoeverre staat het een partij vrij om vergevorderde onderhandelingen af te breken, en volstaat het gerechtvaardigde vertrouwen van de wederpartij dat een overeenkomst tot stand zou komen als zelfstandige grond voor ongeoorloofdheid van dat afbreken? Verder: welke motiveringseisen gelden in kort geding voor de beoordeling van de opheffing van conservatoir beslag op de voet van art. 705 lid 2 Rv.? Feiten — De Ruiterij B.V. exploiteert het Hotel Maastricht. Partijen onderhandelden al sinds 1991 over een uitbreiding van het hotel op het voormalige Sphinx-terrein, op basis van een turn-key opdracht aan MBO. De oorspronkelijke fase-I-overeenkomst bevatte termijnen en een beëindigingsregeling met een vergoeding van ƒ 20.000,--. Die termijnen werden herhaaldelijk overschreden, maar partijen bleven onderhandelen. Op 22 mei 1992 maakte De Ruiterij een voorbehoud van goedkeuring door haar Engelse topholding QMH. Bij brief van 25 februari 1993 beëindigde De Ruiterij de onderhandelingen, onder verwijzing naar het uitblijven van goedkeuring door QMH. In 1993 vond nog overleg plaats over off-balance-financiering, maar begin mei 1994 werden de onderhandelingen definitief gestaakt. MBO legde vervolgens conservatoir derdenbeslag voor een vordering van ƒ 8.600.000,-- (inclusief rente en kosten) wegens ongeoorloofd afbreken van onderhandelingen. De Ruiterij vorderde in kort geding o…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken