Hoge Raad 1989-10-06 — Civiel recht
Instantie en datum — Hoge Raad, 6 oktober 1989, ECLI:NL:HR:1989:AB9521, zaaknummer 13.618, cassatie (Beklamel). Kernvraag — Welke maatstaf geldt voor de persoonlijke aansprakelijkheid van een bestuurder die namens de vennootschap een overeenkomst aangaat terwijl hij wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap haar verplichtingen niet zou kunnen nakomen en geen verhaal zou bieden? Feiten — Stimulan verkocht in februari/maart 1981 voeder aan Beklamel B.V. voor ƒ 71.535,--; betaling bleef uit. [verweerder] was directeur en enig aandeelhouder van Beklamel. Na overleg werd het voeder doorverkocht aan Verveka B.V., maar Verveka verrekende de koopprijs met een tegenvordering op Beklamel, zodat Stimulan niets ontving. Beklamel werd op 21 april 1982 failliet verklaard. Stimulan sprak [verweerder] persoonlijk aan op grond van onrechtmatig handelen: hij had de goederen namens Beklamel gekocht terwijl hij moest hebben geweten dat Beklamel haar verplichtingen niet kon nakomen. Oordeel hof — Het hof formuleerde in r.o. 6 van het tussenarrest de maatstaf of [verweerder] bij het aangaan van de overeenkomst wist, of er niet aan behoefde te twijfelen, dat Beklamel niet, of niet binnen een redelijke termijn, aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden voor de door Stimulan te lijden schade. Met "er niet aan behoefde te twijfelen" bedoelde het hof blijkens r.o. 13 van het eindarrest: "redelijkerwijze behoorde te begrijpen". Het hof bekrachtigde he…