Hoge Raad 1953-05-22 — Civiel recht
Instantie en datum — Hoge Raad, 22 mei 1953, ECLI:NL:HR:1953:214, zaaknummer 8597, cassatie. Kernvraag — Kan een verkrijger te goeder trouw bij een fiduciaire eigendomsoverdracht (waarbij geen feitelijke overgave plaatsvindt maar constitutum possessorium wordt gebruikt) bescherming ontlenen aan art. 2014 en/of art. 1198 BW (oud) indien de vervreemder beschikkingsonbevoegd was? En kan bezit van toekomstige machines worden overgedragen aan een fiduciair eigenaar door een vooraf gemaakte afspraak en de latere ontvangst van die machines in het bedrijf? Feiten — Verweerder verstrekte in oktober 1946 een lening van f. 25.000,- aan [getuige 5] c.s. en bedongen daarbij fiduciaire eigendomsoverdracht van alle aanwezige en nog te verwerven machines en voorraden in het bedrijf. Sio verstrekte eveneens een lening aan [getuige 5] en ontving van hem bij akten van 1947 en 1949 diverse bedrijfsgoederen in fiduciaire eigendom tot zekerheid, waarbij de goederen door middel van constitutum possessorium (bruikleen) bij [getuige 5] achterbleven. Toen verweerder de goederen publiek liet verkopen, vorderde Sio een verklaring voor recht dat zij op 2 juli 1949 eigenares van de goederen was, alsmede betaling van de opbrengst. In geschil was onder meer of [getuige 5] bevoegd was de goederen aan Sio over te dragen, en of de later in het bedrijf gekomen machines door de afspraak van 11 oktober 1946 in fiduciaire eigendom aan verweerder waren overgegaan. Oordeel hof — Het hof oordeelde dat de bescherming…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken