ECLI:NL:HR:1946:4

Hoge Raad 1946-05-03 — Civiel recht

Samenvatting

Samenvatting Kernvraag Kan wanprestatie jegens een contractspartij ([A]) tegelijkertijd een onrechtmatige daad opleveren jegens een derde (de Staat), die als gevolg van die wanprestatie schade lijdt? Feiten Verweerder had zich verbonden om isolatiemateriaal te leveren aan aannemer [A], die werkte aan een overheidsgebouw. Verweerder verkocht het materiaal vervolgens bewust aan een derde voor een hogere prijs, waardoor hij zijn leveringsverplichting niet kon nakomen. [A] moest duurder vervangingsmateriaal inkopen. Op grond van een bestekbepaling was de Staat verplicht 85% of meer van de meerkosten aan [A] te vergoeden. De Staat vorderde dit bedrag van verweerder op grond van onrechtmatige daad. Overwegingen rechter Het Hof had de vordering niet-ontvankelijk verklaard, omdat wanprestatie jegens een contractspartij als zodanig geen onrechtmatige daad oplevert tegenover een derde. De Hoge Raad verwerpt dit oordeel. Dezelfde gedraging kan naast wanprestatie ook een onrechtmatige daad jegens een derde vormen, mits de elementen van art. 1401-1402 BW (oud) aanwezig zijn. Wie zich contractueel heeft gebonden, mag bij inachtneming van hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt, niet onder alle omstandigheden de belangen van derden verwaarlozen die bij behoorlijke nakoming betrokken zijn. Doorslaggevend zijn de bijzondere omstandigheden: verweerder wist of behoorde te weten dat zijn wanprestatie de Staat rechtstreeks zou schaden; hij pleegde desondanks bewust contractbreuk; en deed…