Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2018-06-21 — Bestuursrecht; Belastingrecht
Instantie en datum — Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 21 juni 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:2713, zaaknummer 17/00184, hoger beroep na verwijzing door de Hoge Raad (tweede verwijzing). Kernvraag — Is een vergrijpboete op grond van art. 67f AWR wegens grove schuld terecht opgelegd aan een ondernemer die de administratie en aangiften omzetbelasting overliet aan haar vader en een administrateur, terwijl zij wist van niet-verantwoorde contante omzetten en ontbrekende inkoopfacturen? En moet de boete worden gematigd vanwege overschrijding van de redelijke termijn? Feiten — Belanghebbende dreef een onderneming in tweedehandsesieraden. Over de periode 2006–2009 zijn contante omzetten niet in de administratie noch in de omzetbelastingaangiften verwerkt; over 2007 en 2008 zijn nihilaangiften ingediend terwijl pinbetalingen werden ontvangen. Voor een substantieel deel van de geclaimde voorbelasting zijn geen inkoopfacturen overgelegd; kasboek, grootboek en voorraadlijsten ontbraken. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag verminderd tot € 42.991 en de vergrijpboete tot € 14.356. Na twee eerdere cassatierondes en verwijzingen restte uitsluitend de vraag of de vergrijpboete terecht en tot het juiste bedrag was opgelegd. Overwegingen — Het hof stelt in r.o. 4.1 voorop dat de bewijslast voor grove schuld op de Inspecteur rust. In r.o. 4.3 oordeelt het hof dat de Inspecteur aan die bewijslast heeft voldaan: in onderlinge samenhang bezien heeft belanghebbende dermate licht…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken