Gerechtshof Den Haag 2026-05-19 — Civiel recht
Instantie en datum — Gerechtshof Den Haag, 19 mei 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:1594, zaaknummer 200.343.380/01, hoger beroep beschikking. Kernvraag — Hebben verzoekers op de voet van art. 5:121 BW recht op een vervangende rechterlijke machtiging voor tijdelijk afwijkend gebruik van privé- en gemeenschappelijke gedeelten binnen de VvE, nu de VvE haar toestemming daarvoor heeft geweigerd? Feiten — Verzoeker [verzoeker] exploiteert als directeur/eigenaar van [naam] Vastgoed B.V. een tandartspraktijk in appartementsrechten gelegen in een gebouw te Rotterdam. [naam] is eigenaar van de betrokken appartementsrechten. Bij vonnis van 2 maart 2022 (rechtbank Rotterdam) is [verzoeker] veroordeeld tot onder meer verwijdering van installaties uit een gemeenschappelijke ruimte boven de goederenlift, vrijgave van een gemeenschappelijke gang, ongedaanmaking van een doorbraak tussen twee appartementsrechten en staking van het gebruik van bergingen en een woning als praktijkruimte. [verzoeker] heeft hoger beroep ingesteld tegen dat vonnis en dit 'on hold' gezet. De vergadering van eigenaars van 24 mei 2023 heeft een integraal voorstel van [verzoeker] en [naam] tot tijdelijk afwijkend gebruik afgewezen, waarna zij de kantonrechter hebben verzocht om vervangende machtiging; dat verzoek is afgewezen. Overwegingen — Het hof stelt voorop (r.o. 6.5) dat afgifte van de verzochte vervangende machtiging voor het gebruik van de ruimte boven de goederenlift (verzoek 2), de bergingen als kleedruimte (verzoek…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken