ECLI:NL:GHAMS:2026:917

Gerechtshof Amsterdam 2026-03-31 — Civiel recht

Samenvatting

Instantie en datum — Gerechtshof Amsterdam, 31 maart 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:917, zaaknummer 200.360.952/01, hoger beroep (tussenarrest in de incidenten). Kernvraag — Of de uitvoerbaarheid bij voorraad van het bestreden vonnis dient te worden geschorst wegens een restitutierisico, en of van geïntimeerde zekerheidstelling voor proceskosten kan worden gevorderd op grond van art. 224 Rv. Feiten — De kantonrechter heeft appellant bij vonnis van 23 april 2025 veroordeeld tot betaling van € 15.000,- aan geïntimeerde, vermeerderd met wettelijke rente, uitvoerbaar bij voorraad verklaard zonder motivering. Appellant heeft in hoger beroep twee incidenten opgeworpen: schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad (art. 351 Rv) en zekerheidstelling voor de proceskosten door geïntimeerde (art. 224 Rv). De appeldagvaarding is openbaar betekend omdat geïntimeerde geen bekende woon- of verblijfplaats had. Overwegingen Zekerheidstelling (r.o. 2.2-2.3): Art. 224 lid 1 Rv verplicht degene zonder woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland die een vordering instelt, op verlangen van de wederpartij zekerheid te stellen voor proceskosten. Op grond van art. 353 lid 2 Rv kan van de gedaagde in hoger beroep echter geen zekerheidstelling worden verlangd. Geïntimeerde is in hoger beroep de geïntimeerde (de gedaagde partij), zodat de vordering reeds om die reden niet toewijsbaar is. Schorsing uitvoerbaarheid bij voorraad (r.o. 2.6-2.9): Het hof formuleert de toepasselijke maatstaf met verwijzing n…