ECLI:NL:HR:2019:2026

Hoge Raad 2019-12-20 — Civiel recht; Burgerlijk procesrecht

Samenvatting

Instantie en datum — Hoge Raad, 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026, zaaknummer 18/02868, cassatie. Kernvraag — Welke maatstaf moet de rechter hanteren bij de beoordeling van een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde uitspraak, zowel in een incident in hoger beroep (art. 351 Rv) als in kort geding (art. 438 lid 2 Rv)? Dienen deze maatstaven te worden gelijkgesteld, en hoe verhouden zij zich tot de maatstaven voor incidenten tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad (art. 234 Rv) en zekerheidstelling (art. 235 Rv)? Feiten — Partijen zijn ex-echtgenoten die twisten over de levering van een hotel-restaurant. De rechtbank veroordeelde de man tot ontruiming en opheffing van beslagen, en verklaarde het vonnis uitvoerbaar bij voorraad. De man stelde hoger beroep in en vorderde in kort geding schorsing van de tenuitvoerlegging voor de duur van het hoger beroep. De voorzieningenrechter wees de vordering toe na een belangenafweging. Het hof vernietigde dit vonnis en wees de vordering af, uitsluitend op de grond dat schorsing in kort geding alleen mogelijk is bij misbruik van executierecht (art. 3:13 BW), te weten klaarblijkelijke misslag of een noodtoestand door nieuwe feiten. Het hoger beroep in de hoofdzaak werd na het bestreden arrest verworpen. Oordeel hof — Het hof oordeelde dat een executiegeschil op de voet van art. 438 Rv geen verkapt rechtsmiddel mag zijn en dat schorsing uitsluitend mogelijk is bij misbruik van executier…