Gerechtshof Amsterdam 2007-01-25 — Civiel recht
Instantie en datum — Gerechtshof Amsterdam, 25 januari 2007, ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7033, zaaknummer 1783/05, verzoekschriftprocedure op grond van art. 1013 Rv (WCAM). Kernvraag — Kan de tussen Dexia Bank Nederland N.V. en een viertal belangenorganisaties gesloten collectieve schadeafwikkelingsovereenkomst (WCAM-overeenkomst) inzake effectenleaseproducten verbindend worden verklaard voor circa 300.000 gerechtigden, en zijn de daarin opgenomen vergoedingen redelijk in de zin van art. 7:907 BW? Feiten — Dexia en haar rechtsvoorgangsters sloten vanaf medio 1992 effectenlease-overeenkomsten met circa 395.000 afnemers. Na een langdurige koersdaling (AEX van 700 naar 270 punten in de periode september 2000 – mei 2003) ontstonden bij grote aantallen beleggers restschulden. Dexia raakte verwikkeld in ruim 3.000 rechtszaken. Op 23 juni 2005 sloten Dexia, Stichting Leaseverlies, Stichting Eegalease, de Consumentenbond en de VEB een WCAM-overeenkomst, die op 8 mei 2006 werd gewijzigd; het verzoek tot verbindendverklaring betreft de gewijzigde overeenkomst. De WCAM-overeenkomst onderscheidt aflossings- en restschuldproducten en voorziet in vergoedingen van 100%, 66,67% of 10% van de restschuld, afhankelijk van de aard van het product en de vraag of de echtgenoot tijdig een vernietigingsverklaring op grond van art. 1:88–1:89 BW heeft uitgebracht; circa 125.000 gerechtigden hebben geen recht op enige vergoeding. De AFM verrichtte als deskundige een steekproefsgewijs onderzoek naar de vraag…