ECLI:NL:CBB:2019:291

College van Beroep voor het bedrijfsleven 2019-07-23 — Bestuursrecht

Samenvatting

Instantie en datum — College van Beroep voor het bedrijfsleven, 23 juli 2019, ECLI:NL:CBB:2019:291, zaaknummer 18/951, eerste aanleg meervoudig. Kernvraag — Is het besluit waarbij het fosfaatrecht van appellante (melkveebedrijf) is vastgesteld op 7.589 kg op grond van art. 23 lid 3 Meststoffenwet in strijd met art. 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (EP), in het bijzonder gelet op de onomkeerbare investeringen die appellante vóór de peildatum van 2 juli 2015 heeft gedaan ten behoeve van een nieuwe stal? Feiten — Appellante exploiteert een melkveebedrijf en heeft in 2013 besloten een nieuwe stal te bouwen ter vervanging van een meer dan 40 jaar oude stal, met het oog op uitbreiding van circa 100–110 naar 180 melkkoeien. Op 5 december 2014 is een Nb-wetvergunning verleend voor 180 melk- en kalfkoeien en 130 stuks jongvee; op 29 september 2015 (dus na de peildatum) voor 200 melk- en kalfkoeien en 140 stuks jongvee. De aanneemovereenkomst is getekend op 23 januari 2015; de stal is gereed gekomen in oktober 2015. Op de peildatum 2 juli 2015 hield appellante 121 melk- en kalfkoeien. Verweerder heeft het fosfaatrecht vastgesteld op 7.589 kg op basis van de op de peildatum geregistreerde dieren; geen generieke korting is toegepast omdat het bedrijf grondgebonden is. Overwegingen — Het College herhaalt en motiveert nader zijn oordeel over het fosfaatrechtenstelsel in het licht van art. 1 EP, langs de vaste toetsingsstappen. Eigendom en inmenging (r.o. 6.3): Het fosfaatrechtenstel…