College van Beroep voor het bedrijfsleven 2019-01-09 — Bestuursrecht
Instantie en datum — College van Beroep voor het bedrijfsleven, 9 januari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:1, zaaknummer 18/1286, eerste aanleg meervoudig. Kernvraag — Levert de vaststelling van het fosfaatrecht op grond van art. 23 lid 3 Meststoffenwet voor appellante een individuele en buitensporige last op in de zin van art. 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM, die verweerder verplicht het fosfaatrecht te verhogen of anderszins compensatie te bieden? Feiten — Appellante, een melkveemaatschap, heeft vanaf 2013 haar bedrijf fors uitgebreid en een nieuwe stal gerealiseerd. Op de peildatum 2 juli 2015 hield zij 183 melkkoeien, 74 stuks jongvee tot één jaar en 75 stuks jongvee ouder dan één jaar. Verweerder heeft het fosfaatrecht vastgesteld op 9.810 kg, waarbij een korting van 8,3% is toegepast omdat geen sprake is van grondgebonden melkveehouderij. Op basis van de toegekende rechten kunnen 173 melkkoeien en 56 stuks jongvee per categorie worden gehouden, terwijl de beoogde eindsituatie 263 melkkoeien en 86 stuks jongvee per categorie betrof. In een eerder besluit van 19 juli 2017 had verweerder appellante alsnog een ontheffing van de mestverwerkingsverplichting verleend in het kader van de Wet verantwoorde groei melkveehouderijen (Wvgm), omdat de gevolgen van die regeling als individueel buitensporig werden aangemerkt. Het bezwaar tegen de fosfaatrechtvaststelling is ongegrond verklaard; het bestreden besluit is pas in beroep van een toereikende motivering voorzien. Overwegingen —…