Raad van State 2025-07-16 — Bestuursrecht
Instantie en datum — Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922, zaaknummer 202206525/1/A3. Kernvraag — Was de burgemeester van Rotterdam bevoegd de woning te sluiten op grond van art. 13b Opiumwet, en zo ja, was die sluiting noodzakelijk en evenwichtig, gelet op de omstandigheid dat de bewoonster hoogzwanger was en niet zelf bij de geconstateerde drugshandel betrokken bleek? Feiten — Na een grootschalig witwasonderzoek op 9 maart 2021 werd in de woning aan de [locatie] in Rotterdam onder meer € 44.580,- contant geld, vijf pistolen en overig wapentuig, versnijdingsmiddelen (inositol en lactose) en handelshoeveelheden cocaïne (9,8 g) en MDMA (8 g) aangetroffen. De bewoner [persoon] werd aangehouden; zijn dochter [appellante] woonde bij hem in. Politierapportages vermeldden dat de woning diende als ontmoetingsplaats voor verdachten in een onderzoek naar georganiseerde cocaïne-invoer via de Rotterdamse haven, en dat de woning tussen 2016 en 2021 meerdere malen geregistreerde aandachtsvestigingen wegens loop had opgebouwd. [appellante] was ten tijde van het sluitingsbesluit van 8 juli 2021 hoogzwanger en beviel op 6 augustus 2021; haar vader zat in detentie en zij was niet meer samen met de vader van het kind. De burgemeester sloot de woning voor zes maanden op grond van art. 13b Opiumwet. Overwegingen — De Afdeling benut deze uitspraak om haar rechtspraak over woningsluitingen op grond van art. 13b Opiumwet uiteen te zetten en de toe…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken